SeniornetPlus

Weetjes

Fotografie voor smartphones

1-2-2026

Goede foto’s komen met tijd, geduld en veel kilometers. Laat je niet ontmoedigen door ruis, onscherpte of mislukte beelden dat hoort erbij. Fotografie is spelen: probeer rare hoeken, lange sluitertijden, tegenlicht, reflecties. Je leert het meest van mislukte foto’s.

1. Drie handige tips voordat je gaat fotograferen

1.1 Lenzen schoonmaken

Een schone lens maakt vlekkeloze foto's. Maar zeg nou zelf, poets je de lens voordat je een foto maakt? Maak er een gewoonte van. Poets de lenzen op de achterkant van de telefoon met een doekje. Vettige lenzen zorgen voor een waas over jouw foto's.

1.2 Telefoon stilhouden

Houd de smartphone stil. Met je armen van jou af is dat lastig. Het toestel blijft makkelijker stabiel als je jouw armen tegen je lichaam klemt. De ellebogen steunen als het ware op je lichaam.

1.3 Afdrukken

De telefoon is nu 'klemvast'. Maar houd hem ook tijdens het afdrukken goed stil. Sommige mensen vinden het fijn om de fysieke knop te gebruiken. Anderen tikken liever op de knop op het scherm. Daarmee is het soms lastig om de telefoon goed met twee handen vast te blijven houden. Met het gebruik van de fysieke knop lukt dat wel. Probeer uit wat voor jouw het beste werkt.

Op de meeste telefoons is een van de volumeknoppen ook de afdrukknop van de camera.

2. Staand en liggend

Fotografen spreken van staande en liggende foto's. Ook wel van 'portret' en 'landschap'. Ze bedoelen daarmee het formaat. Liggend, is wanneer de hoogte kleiner is dan de breedte. Staand, wanneer de breedte kleiner is dan de hoogte. Leer meer over de verschillen. Want, het formaat bepaalt ook hoe een foto overkomt.

2.1 Wanneer maak je een staande foto?

Een staande foto legt de nadruk op verticale lijnen. Een wolkenkrabber, de Utrechtse Dom, het Vrijheidsbeeld, de Eifeltoren: gebruik het staande formaat als u de grootte benadrukt. Ook voor portretten van mens en dier is dit formaat geschikt.

2.2 Wanneer maak je een liggende foto?

Een liggende foto legt de nadruk op horizontale lijnen. Het is perfect voor landschappen. Bij een liggend formaat komt de breedte en diepte goed naar voren. Een bijzondere variant is de panoramafoto. Daarbij is de foto veel langer dan hoog waardoor het horizontale karakter nog meer nadruk krijgt.

2.3 Probeer beide!

Een simpele regel is: liggend voor landschappen en staand voor portretten. Wijk gerust af van deze regel. Speel met beide opties. Maak twee foto's van hetzelfde onderwerp. Een met staand en een met liggend formaat. En kijk welke het beste werkt. Dat is een voordeel van digitaal fotograferen. Het kost niets meer dan opslagruimte en u gooit weg wat u niet bevalt.

3. Regel van derden

Wanneer je het onderwerp niet in het midden plaatst worden foto’s spannender. Maak twee denkbeeldige horizontale lijnen en twee verticale lijnen. Plaats het onderwerp op een van de vier snijpunten of lijnen. Fotografen noemen dit de regel van derden.

3.1 Hulplijnen

Om het makkelijker te maken kun je op de meeste telefoons hulplijnen zichtbaar maken. Een raster bestaande uit twee horizontale en verticale lijnen. Plaats het onderwerp op het snijpunt van een van die lijnen. Fotografeert u een horizon? Ook hier geldt: in het midden is saai. Plaats de horizon op de onderste of bovenste hulplijn en de foto wordt meteen interessanter.

4. Standpunt

De meeste mensen fotograferen alles vanaf ooghoogte. Recht naar voren. Dat is onze normale waarneming. Maar je kunt de camera ook naar boven of beneden richten. Of door de knieën gaan of juist op een verhoging staan. Je verandert dan het standpunt, oftewel het perspectief, dat de camera ziet. Het kikker- en vogelperspectief zijn twee populaire standpunten.

4.1 Kikkerperspectief

Het kikkerperspectief is een laag standpunt. Ga door de knieën, of zelfs op de grond liggen en richt de camera naar boven. Grote onderwerpen worden indrukwekkender. Een olifant op ooghoogte is groot. Vanuit kikkerperspectief oogt ‘ie kolossaal.

4.2 Vogelperspectief

Het vogelperspectief is een hoog standpunt met de camera naar beneden gericht. Fotografeer bijvoorbeeld vanaf een keukentrapje. Hebt u geen trapje bij de hand? Zoek dan naar een bankje waar u op kunt staan. Of fotografeer de uiterwaarden vanaf een dijk. Voor kleine huisdieren zijn hun baasjes reuzen. Fotografeer uw huisdier vanuit de hoogte naar beneden. Het resultaat: vertederende portretten van dieren die omhoog in de camera kijken.

5. Richting van het licht

Zonlicht komt van achteren, van voren of van opzij. Die richting heeft invloed op de kleur, het contrast en de diepte van een foto.

5.1 Tegenlicht

Kijkt u in de lichtbron? Dan is er sprake van tegenlicht. Dit licht zorgt voor veel contrast op de foto. Personen en dingen worden donkere silhouetten die aftekenen tegen de achtergrond. Soms krijgen ze een lichtrandje, wat een mooi effect geeft. Een portret maken bij tegenlicht is lastig. Gebruik daarvoor mee- of zijlicht.

5.2 Meelicht

Wie de lichtbron in de rug heeft, gebruikt meelicht. Het licht valt vol op het onderwerp. Dat zorgt voor kleurrijke foto's. Dieptewerking is lastig, omdat de schaduwen achter het onderwerp vallen. Daardoor lijken de portretten een beetje 'plat’. Gebruik zijlicht om meer diepte te creëren.

5.3 Zijlicht

Zijlicht is licht dat van links of rechts komt. Zijlicht zorgt voor diepte. Een gezicht krijgt bijvoorbeeld belichte delen en delen in de schaduw. Dit geeft reliëf. In het algemeen is zijlicht dat van bovenaf komt het beste licht voor portretten.

5.4 Strijklicht

Valt zijlicht onder een bepaalde hoek dan heet het strijklicht. Bijvoorbeeld als de zon laag staat. In Nederland is dat 's winters de hele dag. Dus trek er op een zonnige dag in januari eens op uit om foto's in strijklicht te maken. Het licht zorgt voor een mooi contrast, lange schaduwen en dieptewerking.

5.5 Verspreid licht

Is er geen duidelijke lichtbron dan heb je verspreid of diffuus licht. Bijvoorbeeld op een zwaarbewolkte dag. Er is geen of nauwelijks schaduwwerking. Het licht is 'zacht'. Zonder harde contrasten.

6. Tijdstip

Het tijdstip van de dag bepaalt het licht van de zon. Rond het begin en het einde van de dag is het licht extra bijzonder. Zo speciaal dat die tijdstippen een naam hebben. Het gouden uur en het blauwe uur.

6.1 Gouden uur

Ongeveer een uur voor zonsondergang en kort na zonsopkomst staat de zon laag aan de horizon. Hierdoor heeft het licht een warme gele of oranje gloed. Deze periode heet het gouden uur. Hoewel de naam anders doet vermoeden, duurt die periode niet precies een uur. Dicht bij de evenaar is het veel korter. En richting de polen is de periode langer. In de Nederlandse winter blijft de zon laag boven de horizon. De gouden gloed over het landschap is er dan veel langer.

6.2 Blauwe uur

De tegenhanger van het gouden uur is het blauwe uur. Dit is de periode net na zonsondergang, en vlak voor zonsopkomst. De overgang tussen nacht- en daglicht of andersom. De hemel kleurt dan helderblauw. Ook is de verlichting aan. Dit geeft foto's een bijzondere sfeer. Het blauwe uur duurt meestal korter dan een uur. Let erop dat het niet bewolkt is als u gaat fotograferen tijdens het blauwe uur.

7. Inzoomen

Staat het onderwerp ver weg? Dan kan de telefoon een handig kunstje: inzoomen. Heel handig, maar toch is het beter om het niet te doen. Dat zit zo: de zoom op uw telefoon is geen echte zoom. Het beeld wordt gewoon uitvergroot. Maak daarom een foto zonder in te zoomen. En bewerk hem achteraf. Dat maakt de kans op onscherpe foto's kleiner. Het inzoomen vergroot namelijk ook beweging uit.

7.1 Stap naar voren

Als je foto's niet zo goed zijn sta je te ver weg, zei Magnum-fotograaf Robert Capa. Dus, zet een stapje naar voren. Haal op die manier een onderwerp dichterbij. Alleen als dat mogelijk is natuurlijk.

7.2 Optische en digitale zoom

Nog even over in- en uitzoomen. Er bestaan speciale zoomlenzen die een onderwerp echt dichterbij halen. Zoals een verrekijker doet. Optische zoom heet dit. Een doorsnee smartphone heeft geen zoomlens. Daar betekent inzoomen dat er een deel uit de foto wordt geknipt en uitvergroot. Digitale zoom heet dit. U 'ziet' dat er is ingezoomd, maar de telefoon houdt u eigenlijk een beetje voor de gek.

7.3 Achtergrond

Door in te zoomen breng je de achtergrond naar voor waardoor het lijkt alsof de persoon met de achtergrond wordt samengebracht. Met onderstaande foto werd het beeld niet verplaatst. De ene werd gemaakt met normaal formaat. De andere met een zoom van 5x.

8. Invoerende lijn

Treinrails bestaat uit rechte lijnen die richting horizon naar elkaar toe lopen. Een duidelijk voorbeeld van wat fotografen invoerende lijnen noemen. Ofwel, lijnen die diepte suggereren in het platte vlak. Een hekwerk, een doorgetrokken streep op de snelweg of een kanaal: het zijn allemaal voorbeelden. Maar de lijnen hoeven niet altijd zo duidelijk te zijn. Ook in de gebogen vormen van een kabbelend beekje, wolkenpartijen en schaduwen zijn lijnen te ontdekken. Dus ga op zoek naar lijnen en gebruik ze in uw foto's.

9. Pannen

Snel bewegende onderwerpen leg je vast door mee te bewegen met de telefoon. Als het lukt dan is het onderwerp scherp en de rest erom bewogen. Die bewegingsonscherpte creëert bijzondere foto's. Toegegeven: makkelijk is het niet. Maar oefening baart kunst. Probeer het eens langs een drukke doorgaande weg. Fotografeer langsrijdende auto's door mee te bewegen met de telefoon. Pannen, heet dat. Na verloop van tijd krijgt u er aardigheid in. En u weet: een foto is geen foto!

10 Afdrukken

10.1 Resolutie en afdrukformaat

Begrip Betekenis Waar gaat het over?
Resolutie Het aantal pixels waaruit een foto bestaat De kwaliteit van het digitale beeld
Afdrukformaat De fysieke grootte van de print (bijv. 10×15 cm, A4, A3) De grootte van de foto op papier

10.2 Pixels per inch (PPI) bepaalt de scherpte op papier

Bij afdrukken wordt gekeken naar PPI: hoeveel pixels per inch papier.

  • 300 PPI → fotokwaliteit
  • 200 PPI → goed voor grotere posters
  • <150 PPI → zichtbaar minder scherp

Formule:

Afdrukgrootte (in inch)=Aantal pixelsPPI
 

10.3 Grote afdruk = pixels worden uitgerekt

Bij een grote print worden dezelfde pixels over een groter oppervlak verdeeld. Gevolg:

  • minder scherp
  • meer zichtbare ruis
  • details verdwijnen

10.4 Praktische voorbeelden

8000 × 6000 px 68 × 50 cm Geschikt voor grote posters
Resolutie foto Afdrukformaat op 300 PPI Opmerking
4000 × 3000 px 34 × 25 cm Geschikt voor A4 en A3
3000 × 2000 px 25 × 17 cm Mooie fotokwaliteit
1200 × 800 px 10 × 7 cm Alleen kleine prints